zondag 24 februari 2013

Medeplichtig aan doodslag

Op hemelvaartsdag 20 mei 1909 wordt er in Sneek een grote internationale kaatswedstrijd gehouden tussen Belgen en Friezen. De wedstrijd wordt georganiseerd door de kaatsvereniging "Sneek". Deze wedstrijden worden met grote belangstelling gevolgd. De Friezen behalen de overwinning.




Na afloop van de kaatswedstrijd gaan de vrienden Ale Visser (19 jaar; boerenknecht), Siebolt Tuinstra (18 jaar; stoker), Wiert Jansen (18 jaar; sjouwerman) en Anne Schuring (18 jaar; pakhuisknecht) nog even op cafébezoek. In het café krijgen ze een woordenwisseling over een of meerdere meisjes met Jan Lemstra (24 jaar; schoenmaker en postbesteller). Er worden enkele dreigementen geuit.

De internationale kaatswedstrijd heeft Sneek veel drukte met zich meegebracht en het is al laat in de avond, als de naklanken van het feestrumoer zich nog in de straten laat horen, waar het surveilleren van de politie al spoedig niet overbodig blijkt te zijn.
Omstreeks 23.00 uur loopt de winkelbediende Theunis Sterk met zijn vriend Van de Horst in de Galigastraat, in de richting van Leeuwenburg. Vier personen, van wie Sterk de indruk krijgt dat zij wel een paar borrels op hebben gaan denzelfde kant uit. Het zijn Ale, Siebolt, Wiert en Anne. Zij worden ingehaald door Jan Lemstra, die achter hen aanloopt en voorbij gaat.
"Dat is 'm", zegt Siebolt, denkent aan de ontmoeting met Lemstra op diezelfde avond, waarbij er een woordenwisseling tussen hen is ontstaan. En hij laat er volgens getuige Sterk, direct op volgen: "Straks wou je mij hebben, nu kan je mij krijgen."
Dan begint ook Anne strijdlustig te worden. Onder het uiten van de woorden: "Willen we hem hebben, dan zullen we hem hebben", schiet hij vooruit en houdt Lemstra tegen. Deze wenst ongemoeid te worden gelaten en duwt daarom Anne van zich af, maar op hetzelfde ogenblik wordt hem door alle vier de weg versperd en er begint een kloppartij, waarbij Lemstra zowel slagen uitdeelt als ontvangt.

Deze schermutseling wordt ook gezien door de schilder Jan Koopmans, die met zijn vriend De Jong eveneens in of ter hoogte van de Galigastraat aan het wandelen is.
Lemstra zeht uiteindelijk: "Nou zulle we maar uitscheide; vier tegen één is moorden." Hij wordt een ogenblik losgelaten en doet een paar stappen naar de hoek van de Galigastraat, als plotseling Ale, die inmiddels een vuistslag op zijn oog heeft gekregen, hem weer aanvalt en hem met een zijwaartse beweging een kraohtige slag in de zij toebrengt.
Koopmans hoort een dof geluid en Lemstra loopt met opgeheven handen de straat uit, roepend: "0, ik ga dood! ik ga dood!". Getuige Sterk merkt nog op, dat hij hevig bloedt.

Inmiddels heeft het rumoer de aandacht van de politie getrokken. De agenten De Leeuw en Elzenga, die in de Galigastraat surveilleren, snellen het eerst toe en ondersteunen Lemstra die wankelt en voor Leeuwenburg ineenzakt. De Leeuw heeft nog gezien, dat Ale zich van Lemstra verwijdert en hem geboden, een andere kant uit te gaan. Hij zorgt er ook voor, dat zijn bevel word opgevolgd. Maar als hij, bij collega Elzenga terugkomend, bemerkt, wat er gebeurd is, gaat hij Ale direct weer achterna, om hem te arresteren, wat hem op de Harinxmakade lukt.

Kort na de noodlottige aanslag arriveren ook de wachtmeester van de marechaussee J. Prijs em agent De Boer ter plekke. Zij zijn door het geschreeuw van een vrouw gewaarschuwd dat er zich een ernstig feit afspeelt in de buurt. Ze vinden Lemstra hevig bloedend op straat met een wond in zijn zij. Er valt geen ogenblik te verliezen. Wachtmeester Prijs laat direct een dokter oproepen en brengt het slachtoffer per brancard naar het politiebureau. Toen gaf het slachtoffer nog maar weinig levenstekens en de komst van arts Hertzberger mag hem niet baten. Lemstra sterft aan verbloeding; zijn dood is onvermijdelijk.

Nog dezelfde avond verhoort de wachtmeester de vermoedelijke dader. Deze heeft, na door agent De Leeuw gearresteerd te zijn, geprobeerd, stilletjes iets uit zijn broekzak te moffelen. Maar de politieman merkt het op, grijpt Ale bij de pols en zegt: "Dat moet ik maar hebben." Het is een soort slagersknipmes, met een hecht, waar houvast aan zat en een groot lemmet, vlijmscherp geslepen. De Leeuw overhandigt het mes aan Prijs. Ale bekent Lemstra met opzet een steek in de zij te hebben toegebracht.
En op een plaats, waar het nog al aankomt, merkt de wachtmeester op.
"Ja", antwoordt Ale, "natuurlijk in de buurt van 't hart, dan ben je gauw doodgebloed." Het is een zonderling antwoord, maar Prijs durfte er niet de conclusie uit te trekken, dat Ale Lemstra met opzet heeft willen doden.

Het lijk van het slachtoffer blijft op het politiebureau, tot in de middag van de volgenden dag de rechter-commissaris en de officier van justitie uit Leeuwarden, vergezeld van arts P.H. van Eden aldaar, arriveren. Laatstgenoemde en dr. Bouma te Sneek verrichten, in aanwezigheid van Justitie, het onderzoek. Bij verwijdering van de kleren blijkt, dat deze geheel met bloed zijn doordrenkt. De jas vertoont aan de linkerzijde, op 14 centimeter afstand van de mouw, een snee met een lengte van 17 centimeter, lopende van achterboven naar voorbeneden. Dit gat correspondeert met de gaten in vest en onderkleren, en ook met een gapende wond in de rug, tussen de achtste en negende rib. Bij de opening van het lijk wordt in de kwab van de linkerlong een wond van ongeveer 4 centimeter diepte en 5 centimeter lengte aangetroffen. Bij het toebrengen van den steek is een groot bloedvat in de linkerlong geraakt, zodat door de verbloeding de dood onvermijdelijk gevolg moet zijn. De direct ingeroepen heelkundige hulp heeft dit niet kunnen voorkomen, is het oordeel van de deskundige. Uit den aard van de wond kan worden geconcludeerd, dat de steek met kracht moet zijn toegebracht.

Er zijn bij de rechtzitting weinig getuigen nodig en het verhoor van de beklaagden verloopt ook vrij spoedig. Ale probeert zich een ogenblik dom te houden; maar de President herinnert hem aan zijn bekentenis, voor de Rechter-commissaris afgelegd en dan spartelt hij niet meer tegen.

Er volgt een verhaal van de eerste ontmoeting met Lemstra, die met een paar meisjes loopt. Hoe Siebolt gekheid met die meisjes maakt, waarover de verslagene gebelgd is, zodat hij het viertal uitscheld voor snotneuzen of kwajongens. Hoe daaruit een woordenwisseling is ontstaan en hoe beklaagden daarna de herberg bezoeken, waaruit zij eenigszins opgewonden, maar niet dronken, op straat terugkeren. Dan wil het noodlot, dat zij Lemstra wéér ontmoeten. Driftig geworden, omdat deze hem slaat, heeft Ale het mes gegrepen en gestoken, met kracht gestoken, niet met de bedoeling, om te doden, maar wel, om te raken.

"En heb je daar nu geen vreselijk berouw van?" vraagt de President. "Mij dunkt, je moet haast niet meer kunnen slapen en die dode man altijd voor je zien staan." Ale antwoordt daar niet op. Zijn drie medebeklaagden bekennen, aan de vechtpartij deelgenomen en Lemstra geslagen te hebben, maar Siebolt ontkent, het slachtoffer te hebben toegevoegd: "straks wou je mij hebben, nu kan je mij krijgen." Eveneens bestrijdt Anne de bewering, dat hij Lemstra heeft tegengehouden. Volgens laatstgenoemde beklaagde had Ale een week te voren in de herberg ook al eens in woede het mes getrokken en daarmee in de muur gesneden.

De Officier van Justitie, mr. Enderlein, heeft niet veel te zeggen, omdat de feiten, hoe ernstig dan ook, van vrij eenvoudige aard zijn. Vast staat, dat alle vier beklaagden aan de vechtpartij hebben deelgenomen. Zij zijn begonnen, met Lemstra te hinderen en als de man zich daarover boos maakt, hen kwajongens noemt, hebben ze later opnieuw ruzie met hem gezocht. Enderlein wil aannemen, dat de ernstige gevolgen niet in hun bedoeling hebben gelegen, althans niet in de bedoeling van de drie laatste beklaagden. Maar nu de vechtpartij de dood van Lemstra als gevolg heeft, zijn alle vier, op grond van het Wetboek van Strafrecht, daarvoor aansprakelijk. Eis: Ale 8 jaar, de drie anderen ieder 8 maanden gevang.
__

De verdediger van de eerste beklaagde, mr. M.E. Hepkema te Leeuwarden, begint met zijn leedwezen over het gebeurde uit te spreken. Hij vindt dat de beklaagde niet kan worden veroordeeld wegens zware mishandeling, de dood tengevolge hebbende, waarop een maxiniumstraf staat van tien jaar, maar alleen wegens mishandeling met dodelijke afloop, waarop hoogstens zes jaar staat.

Voor zware mishandeling is volgens Hepkema nodig het opzet bij de dader om een ander zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, en dit zwaar lichamelijk letsel moet dus ook werkelijk bestaan hebben, wil men krachtens artikel 302, het artikel van de zware mishandeling, veroordelen, en daarnaast dan de dood als niet bedoeld gevolg; het zwaar lichamelijk letsel moet zijn te onderkennen geweest van het dodelijke gevolg; dit gevolg alleen toch maakt het toegebrachte letsel niet tot zwaar letsel. Is dit zo, dan zal gewone mishandeling met dodelijke afloop, strafbaar gesteld bij artikel 300, niet bestaan.
Nu moet Hepkema wel toegeven, dat een feit, waarop zes jaar staat, een ernstig feit blijft; maar beklaagde heeft te veel de schijn tegen zich. Er is vooraf ook geen complot gesmeed, wat inderdaad een ernstig karakter aan het feit zal hebben gegeven. Alles tezamen genomen, wat Hepkema van zijn cliënt weet, hij wil wel, dat de rechtbank even goed op de hoogte is geeft hem de overtuiging, dat een clemente straf alleszins voldoende zal zijn. Met vertrouwen ziet hij de uitspraak van de Rechtbank tegemoet.


Het vonnis

De Rechtbank veroordeelt Ale V., 19 jaar, boerenknecht te Sneek, thans gedetineerd, wegens zware mishandeling de dood tengevolge hebbende van J. Lemstra tot vijf jaar gevangenisstraf.
De 18-jarige Siebolt T., stoker, de 18-jarige Wiert J., sjouwerman en de 18-jarige Anne S., pakhuisknecht, allen te Sneek worden voor het deelnemen aan een algemene vechtpartij, de dood van Lemstra tengevolge hebbende veroordeeld tot 2 maanden.

woensdag 13 februari 2013

Koloniaal Werfdepot Harderwijk


Het Koloniaal Werfdepot te Harderwijk was van 1814 tot 1909 het belangrijkste werfdepot voor het Oost-Indisch Leger (later Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger oftewel KNIL) en werd denigrerend weleens "het riool van Europa" genoemd. Het depot werd in 1909 opgeheven.

Het Koloniaal Werfdepot te Harderwijk was het legeronderdeel dat in Nederland rekruten aanwierf en voorbereidde op de dienst bij het leger in de koloniën.

In Harderwijk kon men intekenen voor een vaste dienstperiode in Indië. In het depot werden de soldaten in ongeveer zes weken klaargestoomd voor deze dienst. Eenmaal gereed met hun opleiding vertrokken de militairen meestal in detachementsverband onder leiding van een officier per trein naar Rotterdam of Amsterdam, of per tjalk naar het Nieuwe Diep, voor inscheping naar Indië. Voor hun vertrek werd te Harderwijk vaak nog als souvenir voor de familie een portretfoto gemaakt met teksten als Tot Weerziens of Naar Indië. Bijna 150.000 soldaten vonden hun weg van Harderwijk naar Indië. Veel van hen zouden ten gevolge van ziektes, oorlogshandelingen of inburgering in de Indische maatschappij nooit meer terugkeren naar Europa.

Harderwijk had van het begin af een slechte reputatie: het ‘gootgat of riool van Europa’ werd het genoemd, waar maatschappelijke verschoppelingen uit alle windstreken in minder dan geen tijd hun handgeld er doorheen joegen. En dan ging het, zeker in periodes waarin er grote behoefte aan vrijwilligers was (bijvoorbeeld tijdens de Atjehoorlog), niet om kleine bedragen. In 1870 was het handgeld opgelopen tot ƒ 300,- in die tijd het jaarsalaris van een arbeider. Het waren gouden tijden voor kroegen en bordelen, maar een gruwel in de ogen van de overwegend streng-christelijke inwoners van Harderwijk. Ook al omdat een niet onaanzienlijk deel van de rekruten uit buitenlanders bestond, met name Belgen, Duitsers, Zwitsers en Fransen.
Vooral in de begintijd leek het Indisch leger wel een vreemdelingenlegioen: Franse deserteurs, Duitse ex-officieren, Zwitserse soldaten die nog gevochten hadden in de Krimoorlog. Maar ook Nederlandse soldaten uit de strafdivisies van de Landmacht, die konden kiezen tussen de Oost of de provoost (= militaire strafgevangenis), meldden zich aan.
Anders dan het Franse vreemdelingenlegioen (opgericht in 1830) moesten de vrijwilligers bij aanmelding wel beschikken over identiteitspapieren en werden ze allemaal nauwkeurig in militaire stamboeken geregistreerd. Ook buiten Nederland waren koloniale wervers actief, want de werving was erg lucratief. In Nederlands-Indië zelf waren ronselpraktijken bij de werving van inheemse rekruten schering en inslag. Het grote percentage buitenlanders in het KNIL (soms tot 60%) was overigens niet de wens van de regering, maar was wel onvermijdelijk, omdat Nederland te klein was om voldoende mankracht te kunnen leveren voor én de landmacht én de marine én het koloniale leger. De grondwet verbood immers (tot na de Tweede Wereldoorlog) de uitzending van dienstplichtigen naar de koloniën.

In de 20e eeuw kreeg de fatsoenering van de koloniale dienst nog duidelijker gestalte. Rond 1910 was de verovering van ook de meest afgelegen buitengewesten in Indië voltooid, die daarmee onder effectief Nederlands gezag gebracht werden. Het vechten was grotendeels gedaan, het KNIL zou tot aan de Tweede Wereldoorlog voornamelijk nog politiediensten uitvoeren. Tegelijkertijd, in 1909, werd het zo vaak beschimpte Koloniaal Werfdepot te Harderwijk opgeheven. Het Korps Koloniale Reserve te Nijmegen bleef als opleidingscentrum voor het KNIL voortbestaan. Vanaf 1914 waren daar uitsluitend nog Nederlandse vrijwilligers welkom.



Meer lezen:

Verhoeven, Clemens. Het vergeten korps. De geschiedenis van de Koloniale Reserve (Vantilt, 2012)

De militaire loopbaan van Willem Tuinstra in Nederland

In maart 1885 vraagt de 16-jarige Willem Tuinstra aan het bestuur van het Old Burgerlijk Weeshuis of hij dienst mag nemen bij het Instructie-Bataljon in Kampen. Hij moet voor alles toestemming vragen, omdat hij tot zijn 18e jaar onder toezicht staat van het weeshuis.

Bij het Instructie-Bataljon in Kampen worden jeugdige vrijwilligers van 16 tot en met 18 jaar opgeleid tot korporaal bij de Infanterie van het Nederlandse leger en voor korporaals en onderofficier in Oost-Indië.



Op 8 april 1885 wordt hij vrijwillig geëngageerd als soldaat voor 8 jaren. Zijn
stamboeknummer is 26.315. Hierin staan de volgende uiterlijke kenmerken: blauwe ogen, behept met gezichtsscherpte op beide ogen 1/2 dioptriem lengte 1,714 m.

Op 1 oktober 1885 wordt hij bevorderd tot korporaal titulair. Hij kan nu 14 dagen verlof krijgen. Hij verzoekt het weeshuis hem daartoe in de gelegenheid te stellen en hem reisgeld te sturen. Er wordt besloten hem 10 dagen toe te staan en f 2,50 aan reisgeld te geven.

Op de tekening hiernaast:
Korporaal titulair, Instructie Bataljon (1857). Bewapend met een bus, een kort geweer met getrokken loop (voorzien van trekken en velden). De functie van de infanterist werd aangeduid met busschieter.

In december 1885 vraagt Willem nogmaals verlof. Dit wordt hem door het bestuur van het weeshuis geweigerd, omdat hij nog niet zolang geleden met verlof is geweest.

Op 12 janurai 1886 wordt hij als koporaal op dato geplaatst bij het 2e Regiment Infanterie in 's-Hertogenbosch.

In september 1886 vraag Willem toestemming om te mogen tekenen voor Oost-Indië. Het bestuur besluit om eerst een onderzoek in te stellen naar het gedrag en de vooruitzichten van hem.

Kapitein S. Pastor van het 2e Regiment, 5e bataillon, 2e Compagnie Infanterie te 's-Hertogenbosch bericht het volgende:
"Het gedrag van Tuinstra is goed, de vooruitzichten bij het leger zijn tegenwoordig slecht. In Oost-Indië beter, maar zwaarder, en de eisen hoger gesteld. Men raad aan, dat Tuinstra zich hier te lande klaar maakt voor het examen van sergeant. En na succes een verzoek aanvraagt bij het Ministerie voor sergeant bij het Indië Leger. Hetgeen dan waarschijnlijk bij goed gedrag, wel zal worden toegestaan".



In maart 1887 verzoekt Willem aan het bestuur van het weeshuis om als vrijwilliger dienst te mogen nemen in Oost-Indië. Waarschijnlijk lokt de f. 300,- handgeld hem tot dit besluit. Het bestuur zegt dat hij eerst zijn examen tot sergeant met goed gevolg moet afleggen.

Een maand later schrijft kapitein van der Heyden van het 2e Regiment, 5e bataillon, 2e Compagnie Infanterie te 's-Hertogenbosch dat Willem Tuinstra bij zijn korps geen examen mag doe voor onderofficier bij het Indisch Leger. Dar hij, wanneer hij naar Indië wil, zich per request tot Zijne Excellentie de Minister van Oorlog moet wenden, om over te gaan naar de Koloniale Troepen. Hij gaat dan als korporaal naar Harderwijk en kan daar examen voor sergeant doen, waarvoor hij wel bekwaan genoeg wordt gerekend.
Er wordt nog aan toegevoegd dat Tuinstra een fatsoenlijke, oppassende jongen is en dat Nederland hem graag bij het leger als sergeant wil voordragen.

In december 1887 wordt aan Willem door zijne excellentie de Minister van Oorlog toestemming verleend om als sergeant deel te nemen in Oost-Indië.

Op 7 januari 1888 wordt hij door het Koloniaal Werfdepot in Harderwijk overgenomen als sergeant van het 2e Regiment Infanterie. Willem is een dienstverband aangegaan voor 6 jaren, ingaande met de dag van inscheping naar Oost-Indië met f. 300,- handgeld.


Op 25 februari 1888 wordt hij in Rotterdam geëmbarkeerd aan boord van het stoomschip Utrecht.

SS Utrecht (bouwjaar 1880; tussen 2 en 4 maart 1897 bij Kaap Ouessant in een zware storm met man en muis vergaan. Alle 33 opvarenden kwamen bij deze ramp om het leven.)






dinsdag 12 februari 2013

De rechtszaak van Uilke Tuinstra (1915-2007)

Op 29 januari 1924 moet Uilke Tuinstra voor de politierechter verschijnen in de rechtbank van Leeuwarden.

Op 27 december 1923 moet de 19-jarige arbeider Jan v.d. W. in Hallum met zijn fiets over de brug. Jan schijnt een bijnaam te hebben. Het is niet eens zo'n erge scheldnaam, maar hij wil liever niet zo genoemd worden.
"Jan Broek" riep de 8-jarige Uilke Tuinstra. Jan werd kwaad en gaf Uilke een klap waardoor hij tegen de grond viel. De klap kwam nogal hard aan.

"Och, de kleine jongen wist niet beter!" volgens de ouders.

Beklaagde Jan v.d. W. zegt, dat het jongetje voor zijn fiets liep en hem ook nadat hij van den grond opgekrabbeld was en een paar stappen verder gelopen was, weer had uitgescholden. "Zo erg zal het dus niet geweest zijn met die klap" meent beklaagde.

Uilke staat bedremmeld voor de politierecnter. Hij wist niet, dat "Jan Broek" een scheldnaam was, zegt hij. De politierechter kijkt echter bedenkelijk en zegt, dat hij toch niet zo ondeugend moet wezen.

Voor mishandeling wordt Jan veroordeeld tot ƒ 10,- boete of 10 dagen hechtenis.
Van het recht, in hoger beroep te gaan, ziet de beklaagde af.


ƒ 10,- heeft nu een waarde van ongeveer € 70,-

zaterdag 26 januari 2013

Korte huwelijksgeluk van Margaretha Charlotte Adelheid Tuinstra

Margaretha Charlotte Adelheid Tuinstra is geboren op 10 juni 1907 in Sneek als dochter van Klaas Tuinstra en Adelheid Frederica Zweed.

Adelheid Frederica Zweed en Klaas Tuinstra


Ze is 23 jaar als ze op 21 februari 1931 trouwt Tjerk Boersma. Tjerk is dan 19 jaar. Hij is geboren op 23 mei 1901 in Goënga als zoon van Kornelis Boersma en Antje van der Veen. Tijdens het huwelijk is Margaretha al een paar maanden zwanger.

Op 25 mei 1931, twee dagen na de verjaardag van Tjerk slaat het noodlot toe. Er vindt een ernstig auto-ongeluk plaats in de buurt van Sneek. Er vallen twee doden. De pers bericht er uitvoerig over.

In het Leeuwarder Nieuwsblad van 26 mei 1931 staat het volgende bericht:

"Pinkstermaandag, voor velen bij uitstek een dag van uitgaan, heeft in Friesland twee slachtoffers geëischt, slachtoffers van het snelverkeer in den kwaden zin des woords. Een vijftal jongelui was dien morgen uit toeren gegaan met een personenauto. Nabij Hommerts, niet ver van Sneek, moest een autobus worden gepasseerd. Deze manoeuvre is hoogstwaarschijnlijk door veel te snel rijden mislukt, met het gevolg, dat de auto tegen de boomen te pletter sloeg. Twee der inzittenden, de 30-jarige gehuwde chauffeur-monteur Tjerk Boersma en de 20-jarige ongehuwde Thomas Bergstra, beiden te Sneek, werden op slag gedood, terwijl de andere inzittenden werden gewond.
Hoe het ongeluk gebeurde.

Om tien uur gistermorgen is het vijftal jongelui, Th. Bergstra, Tj. Boersma, P. Stilma, J. Damstra en J. Wierda, met een Citroën-personenauto uit Sneek vertokken om een tochtje te maken naar Heerenveen, waar het kermis was. Ter hoogte van den "Nieuwen Polder", een eindje buiten Hommerts, moest de personenauto, die met groote snelheid reed, een paar autobussen passeeren van den heer Westra te Gaastmeer. Hierin zaten de leden van de vereeniging "Concardia" te Gaastmeer, die onderweg waren naar het concours van muziekvereenigingen te Drachten.

Hoe de botsing toen precies heeft plaats gehad, valt niet met zekerheid te zeggen. Als vaststaand kan echter wel worden aangenomen, dat de bestuurder door een of andere oorzaak na het passeeren van de eerste autobus de macht over het stuur heeft verloren. De auto is toen ten minste rakelings langs een boom geslierd, slingerde daarna weer op den straatweg, waar de voorkant van de tweede autobus de wagen ramde en botste tenslotte met groote vaart tegen 'n boom. Het ongeluk speelde zich in weinige seconden af, en toen de bussen tot stilstand waren gebracht, lag de auto reeds geheel vernield tegen den boom. De bestuurder Th. Bergstra en de naast hem zittende Tj. Boersma, moeten onmiddellijk zijn overleden. De anderen waren min of meer ernstig gewond. Zij werden ter plaatse geholpen door een verpleegster, die in een ziekenauto zat, waarmede een patient naar Sneek werd vervoerd. Deze auto is direct, na den patient te Sneek te hebben afgeleverd, naar de plaats des onheils teruggekeerd en heeft daarop de beide dooden en den drie gewonden, die zeer onder de indruk waren, naar het St. Anthoniusziekenhuis te Sneek vervoerd. Na verbonden te zijn, konden J. Wierda en J. Damstra naar huis gaan. De 21-jarige ongehuwde voerman P. Stilma, die een rib heeft gebroken, werd ter verpleging opgenomen.

De commissaris van politie te Sneek was spoedig na het ongeval ter plaatse, evenals de burgemeester der gemeente Wimbritseradeel en een dokter uit Woudsend. Het is aan de omnstandigheid, dat even na het ongeluk plaats had, een ziekenauto passeerde te danken, dat zoo snel hulp kon worden verleend.


Nadere bijzonderheden.

Uit Sneek worden ons nog de volgende bijzonderheden gemeld: De bestuurder, Th. Bergstra, is een zoon van den bekenden auto- en rijwielhandelaar Bergstra, wonende aan den Leeuwarderweg. Hij kon goed met automobielen omgaan.
Volgens verklaringen van terzake-kundigen moet de personenauto minstens een snelheid hebben gehad van 80 K.M., wat klopt met het feit, dat de kilometerteller na het ongeluk nog het cijfer 80 aanwees. Het is niet onmogelijk, dat de bestuurder eerst na de aanraking met den eersten boom de macht over het stuur heeft verloren. In ieder geval heeft hij voordien wel signalen gegeven. De justitie is gistermiddag ter plaatse geweest om de situatie in oogenschouw te nemen.

Een tragische bijzonderheid is nog, dat de omgekomen Tj. Boersma enkele maanden geleden, in Februari n.l., is gehuwd.

Wat den toestand der gewonden betreft, Stilma wordt nog in het ziekenhuis verpleegd en zal daar nog wel eenigen tijd moeten verblijven. Damstra en Wierda worden thuis verpleegd. De eerste ligt met een gebroken sleutelbeen te bed, terwijl Wierda een ontwrichte pols en eenige lichte kwetsuren heeft bekomen. Beiden verkeeren nog zeer onder den indruk van het droevig ongeluk, naar de juiste oorzaak waarvan een onderzoek wordt ingesteld."


Een dag later staat in Nieuwblad van Friesland, Hepkema's Courant nagenoeg hetzelfde bericht met de volgende toevoeging:

"Mededeeling van ambtelijke zijde

Van ambtelijk zijde deelt men ons mede, dat het ongeval zich als volgt heeft toegedragen.

Maandagmiddag plm. 12 uur reed een autobus vanuit Sneek in de richting Hommerts. Deze werd achterop gereden door een zeer snel rijdende luxe-auto, waarin 5 jongelui gezeten waren. Laatsgenoemde auto heeft klaarblijkelijk den bus willen passeeren, maar de chauffeur van dezen bus verklaart geen signalen te hebben gehoord. In volle vaart - 70 a 80 K.M. - heeft de chauffeur van den luxewagen, de 21-jarige Th. Bergstra, toen geprobeerd den bus voorbij te rijden, wat hem evenwel noodlottig is geworden. Hij kwam namelijk in aanraking met het achterste spatbord van den autobus, waardoor hij zijn stuur vermoedelijk is kwijtgeraakt, tengevolge waarvan hij eerst tegen een boom opvloog en daarna met een hevigen slag tegen den autobus aan.
De botsing was zoo hevig, dat de luxewagen een halven slag gedraaid werd. De beide links-zittenden, t.w. de chauffeur Th. Bergstra en de 29-jarige Tj. Boersma, werden op slag gedood."



Margaretha is na drie maanden huwelijk alweer weduwe. Bovendien is zij zwanger. Haar zoon wordt geboren op 17 augustus 1931. Hij wordt Tjerk genoemd, naar zijn vader.

In 1968, ze is dan 61 jaar, trouwt ze met Piet Johannes Kalsbeek. Hij is dan 59 jaar en weduwnaar van Murkje Berber Tuinstra. Murkje Berber is een nicht van Margaretha. Zij is de dochter van Anne Tuinstra (een broer van Klaas) en Jantje Schram.
Op 5 december 1985 is Piet Johannes Kalsbeek overleden. Zes jaar later op 1 november 1991 is Margaretha Charlotte Adelheid overleden. Ze is 84 jaar geworden.





donderdag 20 september 2012

Willem Tuinstra (1868-1960)

Willem Tuinstra is geboren op 24 september 1868 in Sneek als zoon van Aitze Tuinstra en Baukje Boeyinga. Hij is de broer van Simon.

Zijn vader overlijdt op 27 juli 1873. Willem is dan nog maar 4 jaar. Vijf jaar later overlijdt zijn moeder op 14 januari 1879. Op dat moment is Willem 10 jaar.


Geboorteakte Willem Tuinstra


Op 28 januari 1879 worden de 12-jarige Simon, de 10-jarige Willem en de 6-jarige Jacomina opgenomen in het Old Burgerlijk Weeshuis in Sneek.

Willem blijkt iemand die het niet zo nauw neemt met de regels van het weeshuis. Regelmatig komt zijn gedrag ter sprake in de vergaderingen. Op 2 januari 1883 rapporteer de binnenvader dat Willem Tuinstra zich met vrienden onbehoorlijk heeft gedragen op nieuwjaarsavond en dat hij sterke drank heeft gekocht en gedronken. Op dat moment is Willem 14 jaar.

Op zaterdag 5 oktober 1884 hebben Simon, Willem en drie andere jongens zich op straat onbehoorlijk gedragen. De oorzaak is drankgebruik.

Op 9 november 1884 is het weer raak: Simon, Willem en twee jongens maken weer rumoer op straat. De politie wordt erbij gehaald. De oorzaak is wederom drankgebruik. Willem bekent de dronkenschap, Simon ontkent. Een van de jongens wordt direct ontslagen uit het weeshuis, de drie anderen waaronder Willem en Simon krijgen een week geen zakgeld.

In maart 1885 vraagt Willem of hij in dienst mag bij het Instructie Bataljon in Kampen. Dit verzoek wordt door het weeshuis goedgekeurd.
Op 6 april 1885 gaat hij als vrijwillig soldaat in dienst bij het Instructie Bataljon. In januari 1895 verlaat hij na bijna 10 jaar de landmacht.

Over de militaire loopbaan van Willem in Nederland en Oost-Indië zal ik later berichten.

In het boek "Van wezenzorg naar stadsbelang. Het Old Burger Weeshuis te Sneek 1581-1981" (G. Bakker, B. van Haersma Buma en G.P. Karstkarel) lees ik de volgende opmerkelijke passage:


"Een pupil die 's nachts ongeoorloofd met nagemaakte sleutels het weeshuis had verlaten, zich schuldig maakte aan drankmisbruik, zijn zilveren horloge - iedere jongen kreeg op zijn achttiende verjaardag een zilveren horloge - verkocht had en ook nog zakgeld van mede-pupillen had weggenomen, werd gestraft met vier dagen eenzame opsluiting op water en brood. Intussen werden er snel maatregelen getroffen, zodat onze zondaar acht weken later in militaire dienst ging voor een periode van zes jaar."

Ik weet niet of dit op Willem slaat, maar een en ander vertoont wel overeenkomsten.


Op 13 juni 1897 trouwt Willem in Sneek met Sytske Dijkstra. Sytske is geboren op 19 januari 1871 in Sneek als dochter van Taede Dijkstra en Pietje Blok.

Huwelijksakte Willem Tuinstra en Sytske Dijkstra



Kinderen van Willem en Sytske:
1. Baukje Tuinstra (28-02-1898 - 23-11-1981)
2. Pietje Tuinstra (03-12-1899 - 23-07-1978)
3. Aitze Simon Tuinstra (30-09-1901 - 03-09-1981)
4. Jacomina Tuinstra (06-08-1904 - 08-03-1955)
5. Taede Tuinstra (01-08-1907 - 16-09-1923)
6. Fedde Tuinstra (15-03-1909 - 14-11-1975)
7. Willem Tuinstra (05-04-1913 - 30-01-1990)


Sytske is overleden op 10 mei 1948, 77 jaar oud. Willem is overleden op 21 september 1960, 91 jaar oud. Een paar dagen voor zijn 92e verjaardag.



V.l.n.r.: Baukje, Taede, Willem, Aitze Simon, Fedde, Pietje, Sytske, Willem en Jacomina.
Waarschijnlijk gemaakt bij het 25 jarig huwelijksjubileum,

vrijdag 25 mei 2012

Het korte leven van Simon Tuinstra (1866-1887)

Simon Tuinstra is geboren op 14 april 1866 in Sneek als zoon van Aitze Tuinstra en Baukje Boeyinga. Als Simon 2 jaar is wordt op 24 september 1868 zijn broer Willem geboren. Als hij 4 jaar is wordt op 19 april 1870 zijn zus Antje geboren. Zij overlijdt op 27 augustus 1871. Antje wordt maar 16 maanden oud.
Als hij zes jaar is wordt op 3 december 1872 zijn zus Jacomina geboren.
Zijn vader overlijdt op 27 juli 1873. Simon is dan nog maar 7 jaar. Vijf jaar later overlijdt zijn moeder op 14 januari 1879. Op dat moment is Simon 12 jaar.

Geboorteakte Simon

Taeke Tuinstra, een broer van Aitze, wordt als voogd aangesteld voor de kinderen. Hij kan echter niet in hun levensonderhoud voorzien.

Twee weken later, op 28 januari 1879 worden de 12-jarige Simon, de 10-jarige Willem en de 6-jarige Jacomina opgenomen in het Old Burgerlijk Weeshuis in Sneek.

Als Simon 15 jaar is vraagt hij in december 1881 een opleiding aan tot timmerman. In januari 1882 wordt besloten dat hij een opleiding kan gaan volgen bij de firma Gebr. van der Werf voor een weekloon van 25 cent.


Waarschijnlijk heeft Simon niet zo'n aanleg voor het timmeren, want in juli 1882 wordt besloten om Simon een opleiding van 4 jaar te geven bij horlogemaker Thümmler. De eerste 4 jaar verdient hij helemaal niets. Daarna misschien f. 10,- per week.
August Thümmler heeft zijn werkplaats en winkel aan de Suupmarkt in Sneek.


Advertentie Leeuwarder Courant, d.d. 30-12-1881

Een horlogemaker is iemand die horloges en klokken maakt. Onder de naam horlogemaker of horlogier zijn er winkels die voornamelijk horloges en klokken verkopen en waar die ook gerepareerd kunnen worden.



In augustus 1883 krijgt Simon ruzie met zijn baas. Thümmler stuurt hem weg. Simon wordt op zijn verkeerde gedrag gewezen en moet de volgende dag weer terug naar zijn baas.

In mei 1884 krijgt Simon pijn in zijn zij. De heer Visser, buitenvader van het weeshuis, adviseert om Simon te laten opnemen in het gasthuis in Amsterdam. Op advies van de geneesheren van het weeshuis laten ze Simon niet naar het gasthuis gaan.

Omdat het in de winkel van Thümmler tocht wordt in juni 1884 besloten dat Simon hier weg moet. De heer Thümmler zorgt dat hij nu bij horlogemaker Pieter Jacobs de Boer terecht kan. Zijn werkplaats en winkel is aan de Nauwe Noorderhorne 37 in Sneek.


Advertentie Leeuwarder Courant, d.d. 21-11-1884

In november 1884 verzoekt de heer Thümmler of Simon tijdelijk bij hem mag komen werken. Hij is namelijk ziek. De Boer, zijn huidige baas, vindt het goed. Het bestuur van het weeshuis keurt de aanvraag echter af, omdat de dokter in juni heeft besloten om Simon weg te halen uit de tochtige winkel.
Toch gaat Simon in op het verzoek.


Advertentie Leeuwarder Courant, d.d. 25-02-1885


In april 1885 vraagt Simon aan het bestuur een horloge. Op de vraag waarom antwoordt hij dat hij nooit enige vorm van vergoeding van de heer Thümmler heeft gekregen toen hij hem heeft geholpen tijdens zijn ziekte.

In mei 1885 gaat binnenvader Ronner met Simon naar Nijmegen. Hij kan werk krijgen bij horlogemaker Bresson.


In juni 1885 stuurt de heer Bresson een brief waarin staat dat Simon niet zo goed is in zijn werk. Hij wil niet het overeengekomen bedrag van f. 8,- betalen, maar stelt voor f. 6,- voor kostgeld en 70 cent zakgeld. Het bestuur gaat accoord. Ook vraagt zijn baas een burgerpak voor Simon. Hier gaat het bestuur niet mee accoord, omdat hij pas geleden een nieuw pak heeft gekregen.

In juli vraagt Simon het bestuur om nieuwe schoenen en een horloge. De schoenen moeten maar gerepareerd worden. Het horloge van f. 16,- is toegestaan.

In november bericht Simon het bestuur dat de heer Bresson hem over 14 dagen wil ontslaan. Hij vraagt de vrijheid om een andere baan te zoeken. Het bestuur zal Bresson om een toelichting vragen.
Bresson geeft aan dat Simon lang niet op de hoogte is van het vak. Hij wil wel helpen zoeken naar een nieuwe baan.

In januari 1886 wordt bekendgemaakt dat Simon een betrekking kan krijgen bij horlogemaker Buiskool in Beerta. Hier kan hij f. 50,- verdienen, met aftrek van eten, inwoning en was. In maart treedt hij in dienst als bediende. De heer Buiskool vindt hem een goede werker. De verstandhouding tussen beide mannen is goed. Af en toe vindt de heer Buiskool wel dat Simon verkeerde wegen bewandeld.
De heer Buiskool biedt aan om Simon in dienst te houden voor f. 65,-. Simon wil echter naar een horlogemaker in Leens waar hij f. 75,- kan verdienen.
In maart 1887 wordt hij na ruzie met zijn baas weggestuurd door de heer Buiskool. Simon is slechts een week zonder werk.
Nu heeft hij een baan gevonden bij horlogemaker Behrens in Winschoten.

In juni 1887 geeft de heer Behrens door dat Simon ernstig ziek is. Hij is bedlegerig en gebruikt iedere dag medicijnen. Een maand later blijkt dat Simon nog steeds ziek is.
Simon geeft aan dat hij veel bloed ophoest. Hij wil zich graag laten onderzoeken door een professor in Groningen. De verschijnselen duiden op tbc.
Nog dezelfde maand wordt besloten om Simon op te nemen in het ziekenhuis van het weeshuis. Hier wordt hij op eigen kosten verpleegd.

Op 20 oktober 1887 overlijdt Simon Tuinstra aan de gevolgen van zijn ziekte. Simon is maar 21 jaar oud geworden.


Overlijdensakte Simon